Uniec 3.4 bèta is nu beschikbaar hoewel momenteel wettelijk nog Uniec 3.3 gebruikt moet worden (zie het artikel ‘Wanneer moet ik Uniec versie 3.4 gebruiken?’). Uniec 3.4 bèta is gebaseerd op de NTA 8800;2025 en het gewijzigde ISSO rapport 110293 ‘Modelomschrijving Maatwerkadvies Woningen, Woon- en Utiliteitsgebouwen’.
Uniec 3.4 is een bèta versie omdat deze versie nog niet van een BRL 9501 attest is voorzien. Alle noodzakelijke testen zijn doorlopen en de resultaten zijn gelijk aan die van andere softwareleveranciers. Het behalen van het attest is nog een formaliteit wat in april 2026 afgerond zal worden.
In dit nieuwsbericht lichten wij toe wat er in versie 3.4 (NTA 8800;2025 en ISSO rapport 110293 MWA) veranderd is.
Bouwwijze – gemiddelde specifieke interne warmtecapaciteit
Tot op heden kon voor vloeren één bouwwijze opgegeven worden. Dat leverde in de praktijk problemen op omdat de bouwwijze van vloeren op één bouwlaag aan de boven- en onderzijde niet perse gelijk zijn. Denk bijvoorbeeld aan een begane grond met een zware begane grondvloer van beton en een lichte houten verdiepingsvloer (plafond). In de nieuwe NTA 8800;2025 en ISSO protocollen staat hierover het volgende:
Als de bovenzijde van een vloer in een zwaardere categorie valt dan de onderzijde van de vloer erboven, dan ga je (in tabel 7.4) uit van de kolom ‘zware vloer met licht plafond’. Hiervan is bijvoorbeeld sprake als de begane grondvloer zwaar is, bijvoorbeeld doordat er een dekvloer op ligt, en de vloerconstructie erboven (aan de plafondzijde) licht is. In alle andere gevallen ga je uit van ‘overige situaties’.
In Uniec 3 hebben wij het voor de gebruikers eenvoudiger gemaakt door te vragen om de bouwwijze van de vloer (bovenkant) én de bouwwijze van het plafond (onderkant). Vervolgens weet Uniec 3 met welke specifieke interne warmtecapaciteit gerekend moet worden.

Zonwerende beglazing / folie
Voor utiliteitsgebouwen is aan de beslisschema’s zonwerende beglazing toegevoegd. ISSO 75.2 paragraaf 8.7.2.4 geeft de volgende uitleg bij deze nieuwe optie:
Als er zonwerend glas aanwezig is, dan ga je uit van de g-waarde uit de productinformatie of van de gecontroleerde kwaliteitsverklaring. Als er geen productinformatie of gecontroleerde kwaliteitsverklaring is, maar wel aantoonbaar zonwerend glas aanwezig, bijvoorbeeld door de ‘ZHR’ aanduiding of duidelijke tint in het glas, dan ga je uit van de kolom ‘g-waarde zonwerend’ in tabel 8.14;
In dat geval kies je in Uniec 3 uit de lijst met beglazing het type met toevoeging ‘zonwerend’. Hetzelfde geldt ook voor zonwerende folie. Als er aantoonbaar een zonwerende folie is aangebracht mag gekozen worden voor de optie ‘zonwerend’.
De forfaitaire ggl-waarde van zonwerend glas is 0,40.

Vaste lamellen zonwering
Tot op heden moest bij vaste lamellen zonwering gekozen worden voor de methodiek uit ISO 15099;2003 waarbij een ggl;alt en ggl;diff waarde ingevoerd moet worden. Deze getallen zijn in de praktijk lastig te bepalen. Er zijn daarom forfaitaire keuzes toegevoegd voor vaste lamellen zonwering. Met ‘vast’ wordt bedoeld dat de lamellen niet op en neer kunnen maar op een vaste positie voor het raam zitten. Er wordt onderscheid gemaakt tussen:
- vaste horizontale lamellen; niet-verdraaibaar; stand 90 graden tov zonontvangend vlak
- vaste horizontale lamellen; niet-verdraaibaar; onder een hoek tov zonontvangend vlak
- vaste horizontale lamellen; verdraaibaar
- vaste verticale lamellen; niet-verdraaibaar; stand 90 graden tov zonontvangend vlak

Collectieve bronnen
Nieuw in de NTA 8800;2025 is dat bij de volgende bronnen opgegeven moet worden of de bron wel of niet collectief is: bodem, grondwater en oppervlaktewater (bronnen met hoge brontemperaturen zijn standaard collectief). De reden voor deze toevoeging is dat er bij collectieve bronnen meer energiegebruik voor pompen nodig is. Dat werd tot op heden verwaarloosd maar moet in versie 3.4 meegerekend worden. Bij aanwezigheid van een collectieve bron zal het fossiele energiegebruik (EP-2) dus iets hoger uitkomen.
De ISSO protocollen geven in paragraaf 9.3.1.3 (onder aandachtspunten) de volgende toelichting:
- Een individuele warmtepompbron is een bron voor … warmte aan een warmtepompsysteem in slechts één energieprestatieplichtig gebouw of bouwdeel
- Een collectieve warmtepompbron is een bron voor … warmte aan warmtepompsystemen waarop twee of meer energieprestatieplichtige gebouwen of bouwdelen zijn aangesloten en die voorzien zijn van één of meer collectieve pompen (bronpomp en/of distributiepomp van het collectieve bronsysteem)
- Of sprake is van een collectieve warmtepomp bron stel je vast op basis van het beschikbaar zijn van facturen/verbruikskostenoverzichten van de leverancier van de warmte voor de collectieve warmtepompbron of op basis van ontwerpgegevens. Ook kan je op basis van de WKO-bodemenergietool (www.wkotool.nl) een eerste inschatting maken of er een warmtepompbron aanwezig is. In deze tool wordt de capaciteit van de bron weergegeven. Daar kun je mogelijk uit afleiden dat het een collectieve bron betreft. Ook de aanwezigheid van een techniekruimte kan daar een indicatie voor zijn. Als je niet kunt vaststellen dat het een collectieve bron is, dan ga je ervan uit dat het een individuele warmtepompbron betreft.
Voor een collectieve bron kan een kwaliteitsverklaring (NTA 8800 bijlage P) aanwezig zijn. In dat geval kan de bron in Uniec 3 geselecteerd worden. Op dit moment zijn dergelijke verklaringen nog niet in de BCRG aanwezig maar wellicht verandert dat met deze aanpassing in de NTA 8800;2025.

Pompen
In de praktijk bleek dat de termen ‘circulatiepomp’ en ‘distributiepomp’ tot verwarring leidde. Daarom wordt nu in de NTA en software consequent de term ‘pomp’ gebruikt.
Biomassa ketels
In de NTA 8800 werd onderscheid gemaakt tussen handmatig en automatisch gestookte biomassaketels maar het bijbehorende rendement was gelijk. Het onderscheid was daarom onnodig en is nu verwijderd.
Ventilatie – ZR roosters
Bij C-systemen is een nieuwe invoerparameter ‘ZR-roosters’ toegevoegd. Hier moet aangegeven worden of er wel of niet ZR-roosters aanwezig zijn of dat dit onbekend is. De NTA 8800;2025 beschrijft wat te doen als de aanwezigheid ‘onbekend’ is.
Als er ZR-roosters aanwezig zijn moet opgegeven worden welk type (klasse) van toepassing is. Indien dat onbekend is, schrijft de NTA 8800;2025 voor welke klasse gehanteerd moet worden aan de hand van het installatiejaar. Deze route is volledig in Uniec 3 ingebouwd.
Afhankelijk van de keuzes bij deze nieuwe velden worden de keuzes bij ‘systeemvariant’ gefilterd aan de hand van de ingevoerde type ZR-roosters.

PV en zonneboilers – beschaduwing door dakrand
Er is een nieuwe keuze voor beschaduwing toegevoegd namelijk ‘belemmering door dakrand’. Hierdoor hoeft bij dakranden niet meer gekozen te worden voor ‘zijbelemmering’. De nieuwe optie ‘belemmering door dakrand’ is van toepassing indien:
- de dakrand hoogte > 0,5 meter
- de afstand tot de dakrand < hoogte van de dakrand
Uniec 3 controleert deze 2 voorwaarden. Indien de dakrand lager is dan 0,5 meter of de afstand tot de dakrand groter is dan de hoogte van de dakrand wordt automatisch ‘minimale belemmering’ geselecteerd.
Met deze optie wordt de PV opbrengst bij aanwezigheid van een dakrand beter ingeschat.

Batterijopslag
In de NTA 8800;2025 is een forfaitaire waardering voor thermische en elektrische batterijopslag toegevoegd. Thermische batterijen zijn thermische boilers die specifiek bedoeld zijn om de opgewekte zonnestroom direct op kunnen slaan (soms zonnestroomboiler of PV-boiler genoemd).
Als thermische en/of elektrische batterijopslag aanwezig is wordt het totale energiegebruik van het gebouw gereduceerd. De reductie bedraagt maximaal 5% van de opbrengst van de PV systemen.
Op het formulier PV kan aangegeven worden of ‘thermische of elektrische batterijen met een vermogen ≥ 5 kWh’ wel of niet aanwezig zijn. Indien deze aanwezig zijn komt een tweede invoerparameter ‘vermogen elektrische batterijsystemen ≥ 5 kWh’ wel of niet aanwezig. De eerste parameter maakt geen onderscheid tussen een thermische batterij of elektrische batterij. Bij beide vormen van opslag wordt de reductie van maximaal 5% in rekening gebracht. Bij de bepaling van de nieuwe indicator Ewep;ZEB;tot uit NTA 8800;2025 bijlage AB worden alleen elektrische batterijen gewaardeerd. Om die reden is de tweede invoerparameter noodzakelijk.
De invoer van batterij opslag is op gebouw niveau. Als er meerdere PV systemen aanwezig zijn is de invoer van batterijsystemen automatisch bij alle PV systemen gelijk. Wanneer de invoer op één PV formulier wordt aangepast, wijzigt deze automatisch ook op de andere PV formulieren.

Zie ISSO protocollen paragraaf 15.5 voor meer informatie.
Gebouwautomatiseringssystemen
Bij utiliteitsgebouwen moet op het nieuwe formulier ‘overige kenmerken’ de klasse van een eventueel aanwezig gebouwautomatiseringssysteem (GACS) ingevoerd worden. Invoer is verplicht indien er een verwarmings- of koelinstallatie met een vermogen > 290 kW aanwezig is.
Wanneer een GACS invoer verplicht is en deze voldoet niet aan regelingen klasse C en energiemanagement klasse B wordt het energiegebruik van verwarming en koeling met 5% verhoogd.

A0 label
Aanvullend op de huidige energielabels wordt er een A0 label toegekend aan gebouwen met bouwjaar 2026 of nieuwer, een EP-2 resultaat dat 10% lager is dan wat het Bbl vereist en geen CO2-uitstoot op het perceel (aardgasvrij).
Het A0 label wordt in Uniec 3, indien van toepassing, aanvullend getoond achter het bestaande energielabel. Op het resultaten overzicht kan een overzicht gekozen worden om te zien in hoeverre er wel of niet aan de eisen wordt voldaan.
Om te bepalen of er geen CO2-uitstoot op het perceel (aardgasvrij) plaatsvindt is er op het nieuwe formulier ‘overige kenmerken een nieuwe invoerparameter toegevoegd ‘aanwezigheid installaties met CO2-emissie’ (veld wordt verborgen indien er in de berekening al gas- of oliegestookte installaties zijn ingevoerd). De reden dat de aanwezigheid niet altijd uit de berekening herleid kan worden is dat er soms meerdere opwekkers in een gebouw voorkomen waarbij niet alle opwekkers in de BENG berekening ingevoerd worden. Bijvoorbeeld een gasgestookte sfeerhaard wordt niet in de berekening ingevoerd maar is wel een installatie met CO2-uitstoot op het perceel. Een gasgestookt kooktoestel valt hier niet onder omdat een kooktoestel geen onderdeel is van de gebouwgebonden technische installatie.

Jaarlijkse karakteristieke primaire-totale-energiegebruik (Ewep;ZEB;tot)
Er is een nieuwe indicator Ewep;ZEB;tot toegevoegd. Deze indicator is indicatief en er zijn geen eisen aan gesteld. ZEB staat voor Zero Emission Building. De overheid wil ervaring met deze parameter opdoen omdat deze in 2030 gebruikt gaat worden om eisen aan te stellen. Zie NTA 8800;2025 bijlage AB voor meer informatie. Deze nieuwe indicator resulteert in een extra invoerparameter. Op formulieren verwarming en warm tapwater moet bij keuze voor externe warmtelevering aangegeven worden in welke klasse de aanvoertemperatuur ligt: 20 ≤ T < 40°C, 40 ≤ T < 60°C of T ≥ 60°C.

CO2 emissie
De KCO2 waarden in de NTA 8800;2025 zijn geactualiseerd waardoor de berekende CO2 emissie wijzigt. De uitstoot voor elektriciteit en externe warmtelevering daalt terwijl die van aardgas is gestegen.
WLC-GWP
WLC-GWP staat voor ‘Whole Life Carbon – Global Warming Potential’. Dit betreft een berekening van de CO2 emissie over de volledige levenscyclus van een gebouw. Deze berekening wordt gemaakt met MPG software maar heeft input nodig van het energiegebruik uit de NTA 8800 berekening. In het resultaten overzicht worden deze getallen gegeven en kunnen deze geëxporteerd worden voor gebruik in MPG.

De resultaten van een WLC-GWP berekening kunnen meegegeven worden met afmelden bij EP-online. Hiervoor is een optie toegevoegd aan het afmeldformulier. Als de optie ‘WLC-GWP data aanwezig’ wordt gekozen moet vervolgens voor de volgende fases de CO2 emissie in kg CO2eq/m² ingevuld worden: productie, bouw, gebruik en onderhoud, energie, einde levensduur, hergebruik en recycling, opbrengsten en totaal.
Resultaten overzicht
In de NTA 8800;2025 zijn diverse nieuwe uitvoer parameters toegevoegd. Deze parameters zijn toegevoegd aan het resultaten overzicht en worden getoond door de juiste vinkjes te selecteren. In aanvulling op de nieuwe parameters die hierboven al genoemd zijn betreft het de volgende nieuwe parameters:
- Jaarlijkse hoeveelheid hernieuwbare energie per energiedrager
- Finaal energiegebruik van het gebouw (EweFinal). Dit is het energiegebruik van de verschillende energiestromen zonder rekening te houden met eigen opwekking van elektriciteit.

Maatwerkadvies – vloerverliezen
Het warmteverlies via vloeren wordt met andere formules bepaald dan die in de NTA 8800. Deze nieuwe formules voor vloerverliezen in de Modelomschrijving resulteren in een hoger transmissieverlies via vloeren. De bedoeling is dat deze aanpassing beter aansluit op het werkelijke verlies via vloeren. Met deze nieuwe methodiek neemt tevens het effect van vloerisolatie toe.
Maatwerkadvies – gebruikersprofiel fitten – infiltratie
De opnameprotocollen stellen strenge eisen aan het gebruik van een renovatiejaar. Als minder dan 90% van de schil is gerenoveerd mag bijvoorbeeld geen renovatiejaar gebruikt worden. In dat geval moet je met de qv;10-waarde van het oorspronkelijke bouwjaar blijven rekenen (tenzij er een meting gedaan is).
Om het effect van (gedeeltelijke) verbeteringen van de thermische schil op de qv;10-waarde toch mee te rekenen in het maatwerkadvies is op het formulier ‘gebruikersprofiel fitten’ een bepalingsmethode toegevoegd. Deze methode bepaalt met welk bouwjaar de aanwezige isolatiewaarden gemiddeld overeenkomen. In de maatwerk berekening wordt vervolgens met een qv;10-waarde gerekend behorende bij dat gemiddelde bouwjaar. Deze waarde wordt ook weergegeven op het formulier ‘gebruikersprofiel fitten’.

Maatwerkadvies – gebruikersprofiel fitten – warmteproductie per persoon
Op het formulier ‘ gebruikersprofiel fitten’ kan onder het kopje ‘Interne warmteproductie en elektriciteitsgebruik’ gekozen worden voor invoer van een eigen waarde van de interne warmteproductie per persoon.
Wanneer er op het formulier ‘energierekening’ een elektriciteitsverbruik (per jaar of per maand) is ingevoerd, wordt er een controlegetal bepaald. Dit controlegetal bepaalt de gemiddelde warmteproductie per persoon op basis van het gemeten elektriciteitsgebruik. Bij de bepaling van het controlegetal wordt gebruik gemaakt van de eigen waarde invoer van de interne warmteproductie per persoon. Wanneer de eigen waarde invoer wijzigt, wijzigt het controlegetal. Het is niet de bedoeling om te gaan itereren totdat de eigen waarde en het controlegetal gelijk aan elkaar zijn. Het controlegetal is uitsluitend bedoeld om te controleren of de door de adviseur bepaalde gemiddelde warmteproductie per persoon in de goede orde ligt.

